Home » Funshop » Oude kraamgebruiken
Oude kraamgebruiken
De middeleeuwen
Kraamkamergeheimen
Hoe knus waren de kraamkamers in de middeleeuwen. Wat speelde zich in die geborgenheid af? Hoe zat de baker erbij en wat kreeg het kraambezoek te drinken? Een kijkje achter het tochtscherm, in de bakermat en in het kookboek van de kraamvrouw.
Schilderijen en Hollandse poppenhuizen gunnen ons een kijkje in de kraamkamers van weleer bij de welgestelden in de 17e en 18e eeuw. Wanneer je naar deze kraamkamers kijkt ziet het er naar uit dat er alles aan werd gedaan om moeder en kind te verwennen. Dat de moeder en haar kind met zoveel zorg werden omringd kwam vooral door het hoge percentage moeder- en kindersterfte in het kraambed. De kraamvrouw verbleef met haar kind meestal zo'n zes tot acht weken in deze gezellige tochtvrije kamer.
Foto: Kraamkamer, Cornelis Troost, 1737, collectie Museum Boijmans van Beuningen Rotterdam
Kraambed
Op het schilderij van Cornelis Troost is het kraambed te zien in een alkoof met prachtige gordijnen. Haar bed werd overigens zo min mogelijk verschoond om het lekker warm te houden. De kraamvrouw eet in haar bed waarschijnlijk soep of vollemelkse pap om aan te sterken. Wanneer de kraamvrouw niet in staat was zelf te eten kon ze het drinken uit een kraamterrine waaraan een tuitje zat.
Er waren prachtige terrines van porselein of zilver, de tuit had vaak de vorm van een dieren- of mensenhoofd. Tegen haar bed staat het kamerscherm, het kamerschut genoemd dat de tocht wanneer de deur geopend werd buiten moest sluiten. Voor dit scherm geeft de baker onder toeziend oog de baby te eten. Alles is onder handbereik, zoals de rieten wieg en de luiermand.
Foto: Kraamkamer uit het 17e eeuws poppenhuis van Petronella Dunois, collectie Rijksmuseum Amsterdam
In de kraamkamers van de poppenhuizen zoals in het poppenhuis van Petronella Dunois dat in het Rijksmuseum staat, is het hemelbed in de hoek bij de deur geplaatst. Het behang en de gordijnen van het bed zijn van sitsenstof, een beschilderd plafond laat in het midden een putto zien. De kraamvrouw en kraamheer zijn klaar om bezoek te ontvangen. De moeder is nog net zichtbaar in het bed, de baker heeft het kind op haar schoot, terwijl de kraamheer nota bene een pijp rookt!
De stoelen voor ontvangst staan klaar. We zien de luiermanden en de rieten wieg zoals deze eind zeventiende eeuw in Noord Nederland gebruikt werden gesloten met damastgordijnen.
Wiegen en kinderlades
Dwarsschommelende wiegen zijn veel gebruikt in Nederland. In Italië zijn hobbelpaardsgewijs schommelende wiegen bekend. Van de 14e tot de 17e eeuw was het in Nederland gebruikelijk om de wieg aan touwen aan het plafond te hangen met een lijn verbonden aan het ouderlijk bed.
Huilde het kindje dan wiegden ze het weer in slaap met die lijn zonder uit te hoeven komen. Toch werd in de achttiende eeuw de schommelwieg minder populair. Men vond dit type wieg eigenlijk ongezond. Werden de kinderen door het schommelen vreemd, vroeg men zich af, of lastig of was het slecht voor de spijsvertering?
Wiegjes werden meestal gemaakt van gevlochten riet, hout soms van ijzer. In de 18e en 19e eeuw was de wieg vaak met groen damast bekleed want dat was zacht voor de ogen. Wanneer men zich geen kraamkamer kon permitteren werd het kind in een 'kinderlade' gelegd, die in de bedstede of beddekoets paste. Voor de moeders moet dit zeer praktisch zijn geweest.
Foto: W. de Passe, Baker in de Bakermat, illustratie in Joh. de Bruna, Emblemata, pag. 17, 1636, Rijksprentenkabinet Amsterdam
Warmste plekje
Op deze illustratie van W. de Passe ziet u de baker bij de bakermat. Deze bakermat was een platte rieten mand voorzien van een hoge rug. In deze mand zaten de baker en kind wanneer het kind verschoond moest worden. De hoge rug zorgde er voor dat het kind bij het verschonen niet op de tocht lag, de mand werd voor de haard geplaatst. Na gebruik kon de bakermat aan de muur opgehangen worden. In de kraamkamer stond nog een meubelstuk namelijk de luiermandskast of luiermandskabinet. In deze kast, die alleen was voorbehouden aan de welgestelden, werden alle benodigdheden voor de baby opgeborgen, deze was dus bestemd voor de luieruitzet. Deze kast was versierd met schitterend houtsnijwerk. De versiering bestond uit bloemranken of druiventrossen en op de afgebeelde Noord Hollandse luiermandskast uit 1650 zijn zelfs kraamvoorstellingen aangebracht, zoals wieg, luiers, kleertjes, bakermat.
Vruchtbare muisjes
Wat werd het kraambezoek voorgeschoteld? Natuurlijk beschuiten met muisjes. Roze muisjes voor het meisje en wit voor het jongetje. De anijs die in de muisjes zat zou goed zijn voor het zog. Bovendien zou dat de boze geesten bezweren. De naam muisjes werd bedacht omdat ze op muizenkeutels lijken en bovendien zag men een muis als het symbool van de vruchtbaarheid.
Maar er werd ook geklonken op de pasgeborene. Men dronk kandeel, dat een verbastering is van het woord 'caldellum', het betekent warm drankje. Wanneer men deze drank dronk, droeg de kraamheer een satijnen muts met pluim en een gebloemde kamerjas om de boze geesten te verdrijven. Hij roerde de kandeel met een lange stok met strikken wanneer het een jongen was en een korte stok met strikken voor een meisje. De kandeel werd gedronken uit een kandeelbeker of kandeelglas, in de 18e eeuw kwamen er speciale porseleinen kandeelstellen.
|
Traditioneel:
kandeel |
Peetvaders hemd
Wanneer het kind geboren was werd er een peetvader en een peetmoeder benoemd. Een gebruik dat zelfs in de prehistorie reeds voorkwam. De peter speelde een belangrijke rol in het leven van zijn petekind. Het gebeurde wel dat wanneer het kind ziek was, het hemd van de peetvader werd aangetrokken om het kind sneller te laten genezen.
'Pillengift'
Bij de doop hield de peter zijn petekind ten doop en gaf daarna aan de ouders de 'pillengift' voor het kind. Vaak was het een muntstuk in een enveloppe vergezeld van bijbelteksten en verzegeld met een lakstempel, dit is in oude doopboeken terug te vinden. Men sloeg ook wel een geboortepenning met aan de ene kant het familiewapen en aan de andere kant de geboortedatum en plaats, soms met belletjes eraan voor het rinkelen. Wanneer de baby kleuter was geworden droeg het op hoogtijdagen deze penning aan een ketting. Indien nodig kon het te gelde worden gemaakt.
Er waren ook peetvaders, die een of meerdere zilveren lepels gaven. Uit Friesland komt het gezegde:" Hij is geboren met een zilveren lepel in de mond." (Hij was al rijk, toen hij nog in de wieg lag.) Later, vanaf de 17e eeuw, gaf men andere zilveren of gouden voorwerpen.
Hansje-in-de-kelder In de middeleeuwen had men een bijzondere manier om te laten weten dat er een kindje op komst was. Tijdens een feestelijke bijeenkomst met familieleden en intieme vrienden schonk de aanstaande vader kandeel in een zilveren beker. Het gevolg was dat in het midden van deze beker, de snakerij, een bol openging waaruit via een klepje een poppetje tevoorschijn kwam: dat was
Hansje-in-de-kelder.
Hansje stond symbool voor de ongeboren vrucht in de moederschoot, die dan zonder problemen geboren zou worden.
De Hansjesbeker ging rond en iedereen dronk een heil opdat de zwangerschap en bevalling goed mochten verlopen onder het zingen van:
'Men drinkt, als 't komt te pas, kaneelwijn frisch en helder, Geluk aan de Echtgenoot met Hansje-in-de-kelder'.
Het was een uitstekende manier om zo in ruimere kring uiting te geven aan de komende blijde gebeurtenis zonder dat de kinderen het begrepen.
Naast Hansje-in-de-kelder gebruikte men ook nog andere uitdrukkingen: 'Maiken in het Schapraiken', 'het Kindeken in het spindeken' of 'het Bolleken in het holleken'.
Een dokter hier uit Leiden in 1773, J. Le Francq van Berkhey, verklaarde dit als volgt: "de Vrught, welke zig in 's Moeders Lichaam, als in een voedend Schapraiken, dat ene Etenskas beduid, bevind, waarom het in onze Hollandsche taal veelal verandert wordt in het 'Kinnetje in 't spinnetje', dewijl de Spinde bij onze Boerenlieden de Etenskas is."
Onder scheepsbouwers was het de gewoonte om 3 keer op de aanstaande geboorte te drinken. De eerste keer na drie maanden op een vruchtbare bodem en een gezegende lading, de tweede keer in de zesde maand op Hansje-in-de-kelder en in de laatste drie maanden op het aflopen van het scheepje. Voor dit doel gebruikte men een speciaal gegraveerde beker. De afbeelding op die beker toonde een scheepje met cupidootje als roerganger, dat te water werd gelaten. In de kringen van de scheepsbouwers werd samen met de doop van het kind ook meestal een schip gedoopt.
Een variant op de Hansjesbeker was een bokaal met een (niet-bewegend) zwaantje. Hieruit dronk men met de heilwens: 'Dat je zwaantje zwemmen mag'.
Na de middeleeuwen
Wassen met jenever
Na de Middeleeuwen volgde een periode van rust en preutsheid (1700-1800) en er kwamen allemaal regeltjes. Zo werden bij de jongetjes hun handjes vastgebonden, zodat ze niet met hun handjes 'onder dek' konden komen!
Na 1880 veranderde er heel veel in de kraamgebruiken. Er werd nu ook kandeel geschonken maar volgens de traditie moest de vader in de kandeel roeren met een pijpje kaneel, in aanwezigheid van de kraamvisite. De kraamheer droeg dan een zijden mutsje met linten van de kraamvrouw. Dit ritueel zou de boze geesten bij de moeder en kind verdrijven! Je krijgt een goede indruk van het rijke leven van moeder en kind. Het bed werd zo min mogelijk verschoond om het lekker warm te houden en de kindertjes werden gewassen met slootwater of met jenever!
Tegen het bed stond een kamerscherm, het kamerschut genoemd, dat de tocht tegen moest houden. We weten nu ook wat heet gebakerd betekend! Het kindje werd heel warm ingebakerd, soms zo heet, dat het rood en zwetend in het wiegje lag! Het was dan ook niet verwonderlijk dat één op de drie baby's bij de geboorte stierf en één op de vijf kraamvrouwen. De vroedvrouw deed de bevallingen en als het niet goed vorderde, kwam er een chirurgijn aan te pas die soms net slagers waren.
De bakermat
De bakermat was een platte rieten mand voorzien van een hoge rug. In deze mand zaten de baker en kind wanneer het kind verschoond moest worden. De hoge rug zorgde ervoor dat het kind bij het verschonen niet op de tocht lag! Na gebruik kon de bakermat aan de muur opgehangen worden. In de loop van de achttiende eeuw werd de bakermat vervangen door een laag bakerstoeltje dat bij de vuurmand werd geplaatst.In de kraamkamer stond ook een luiermandskast of luiermandskabinet. Een kabinet was alleen voor de welgestelden.
kraamtoebehoren
Kraamtoebehoren bestonden toen ruwweg uit de volgende voorwerpen:
de kraamstoel (afbeelding links)
het schut (een kamerscherm tegen de tocht),
de bakermat, de vuurmand, het tobbetjen en veel andere 'snorrepijpen' die gekocht moesten worden" Onder die extra voorwerpen ("snorrepijpen") kan men o.a. verstaan: de luiermand en de kackstoel.
Foto: Voorbeelden van een bakermat
Foto: Een vuurmand om bijv. luiers te drogen
Foto: kinderkackstoel
Deze 'kinderstoel' stond in de kookkeuken. Een kind werd, indien nog niet zindelijk, zonder broek aan in deze kinderkakstoel vastgezet. De kussens, waaronder één met een rond gat in het midden, waren los en konden gewassen worden.
Bevallingen en de rol van vroedvrouwen en vroedmannen
De volgende tekst geeft een indruk van de tradities en de toen heersende gewoonten en opvattingen wat betreft zwangerschap en geboorten. Hierbij komt ook de rol van vroedvrouwen ter sprake, de meest professioneel georganiseerde groep vrouwen toendertijd.
Taken van vroedvrouwen
Vroedvrouwen konden en mochten volgens de regels maar één bevalling tegelijk begeleiden, en als de bevalling eenmaal begonnen was, mochten zij niet even weggaan naar een andere bevalling. Zwangere vrouwen bespraken daarom ruim van tevoren een vroedvrouw voor de naderende geboorte.
Wanneer de weeën begonnen waren, haalde iemand uit de omgeving (de echtgenoot, een buurvrouw, meid of knecht) de vroedvrouw. De vroedvrouw was op dat moment verplicht te komen. Het huis werd voor de bevalling klaar gemaakt door buren, familieleden of de meid van de zwangere. Met name de aanwezigheid van een vuurmand of een vuurkorf, de wieg, luiers en het bed waren van belang. De echtgenoot was normaal gesproken afwezig bij de bevalling. De aanwezigen waren bijvoorbeeld vrouwelijke buren, familieleden of vriendinnen.
Tijdens de bevalling zat de kraamvrouw op een baarstoel, of op een matras in de bedstede. De bedstede was echter aan drie zijden gesloten en was dus niet erg handig voor de omstanders. In de kamer kon ook een losstaand laag bed worden gemaakt door een aantal stoelen met de rug op de grond te plaatsen, en daarop een matras te leggen. Deze tijdelijke opstelling werd een 'kortbed' genoemd. Soms zat de barende vrouw op de schoot van een vrouw, de 'schootster'.
De vroedvrouw of vroedmeester stond, knielde of zat tussen de benen van de barende vrouw. Haar beide benen werden wijdbeens vastgehouden door andere vrouwen. De rokken van de barende vrouw werden opgetrokken zodat deze niet vies zouden worden door de vrij komende vloeistoffen. Kamers werden in het algemeen spaarzaam verwarmd. Om geen kou te lijden sloeg men van boven af een deken over de benen heen. De vroedvrouw begeleidde de geboorte en ze paste indien nodig handgrepen toe om de geboorte te bespoedigen. Ze ving de pasgeborene op en knipte de navelstreng door. Daarna legde zij het kind in doeken en gaf het aan een van de omstanders die de baby en de navelstreng controleerde op eventuele gebreken of problemen. Tenslotte zorgde de vroedvrouw dat ook de placenta compleet uit de baarmoeder kwam; deze toonde zij ter controle aan omstanders. Daarna werd de kraamvrouw verzorgd en in bed gelegd. De baby werd bij de vuurmand gebakerd en aan de vader van het kind aangeboden, die de vroedvrouw een traditionele fooi gaf. Door de omstanders werd direct daarna een geboortemaaltijd klaargemaakt.
Benodigdheden
Bij een bevalling waren nodig een vuurmand, een wieg, luiers, een tobbe, een zit- of ligplaats, twee stoven, doeken, vet, en eventueel een kamerscherm. De vroedvrouw bracht zelf ook een aantal zaken met zich mee: een sluitband en een schaar; materiaal om de navelstreng af te binden; verzachtende oliën, een catheter en een klisteerspuit. Dat waren haar professionele spullen. Maar haar karakter en haar psychologisch optreden waren op zo'n spannend, voor moeder of kind soms levensbedreigend moment, ook van zeer groot belang. Als persoonlijkheid bracht zij in het beste geval flinke kordaatheid en een uiterlijke rust met zich mee. Als de geboorte fout ging gaf ze woorden van troost in alle ellende en nood. De statistiek gaf ook reden tot zorg: van elke 1000 barende vrouwen stierven er 14 aan de gevolgen van de bevalling.
Andere taken
Bijkomende taken waren het doen van lichamelijk onderzoek bij zwangere vrouwen en (na de geboorte) bij pasgeboren baby's. Bij de geboorte van een buitenechtelijke kind had zij als taak de naam van de vader op te vragen en daarvan verslag doen bij de overheid. Een andere taak was het onderzoeken van het lichaam van een doodgeboren of kort na de geboorte overleden kind. Tenslotte moest zij (mede) de opleiding van aspirant-vroedvrouwen verzorgen.
Het werd de vroedvrouw verboden de doop uit te voeren. Als men vreesde voor het leven van de baby werd door de vroedvrouw wel een 'gauwdoop' of, 'nooddoop' uitgevoerd, maar deze praktijk werd in 1589 streng verboden. Alle dopen moesten in kerken worden uitgevoerd. Of dat gebeurde was natuurlijk een tweede.

Foto: Kraamkloppertje aan de voordeur als geboorte aankondiging
Positie van vroedvrouwen
Vroedvrouwen waren in een bepaalde stad hetzij vrij gevestigd ofwel door de overheid van die stad in loondienst aangesteld; zij waren lid van het chirurgijngilde en daardoor, als vrouw, de meest geëmancipeerde beroepsgroep.
In de zeventiende-eeuwse Republiek speelde de vroedvrouw bij geboorten een belangrijke rol. Ze werkten onder reglementen (keuren) die door de stedelijke overheid waren opgesteld. Hun opleiding, diplomering en aanstelling waren nauwgezet geregeld. Vroedvrouwen kwamen in de steden in de leer bij het plaatselijke chirurgijngilde, waar een vroedmeester aan verbonden was. Hij was ofwel een in verloskunde gespecialiseerde chirurgijn ofwel een medicus doctor met bijzondere ervaring en vaardigheden.
Bij probleemgevallen bij geboorten moesten de vroedvrouwen onmiddellijk advies inwinnen bij een vroedmeester of de medicus-doctor, maar de geboorte bleef onder begeleiding van de vroedvrouw. De stedelijke regelingen waarborgden een goede opleiding en kwaliteit ; ze boden tevens bescherming tegen concurrentie van buitenstaanders.
Lage standing
Vroedvrouwen werden volgens bepaalde historische bronnen slecht betaald voor hun kernactiviteit, het bieden van hulp bij het baren. Daarom namen zij nevenfuncties aan - zoals het in huis nemen van zwangere vrouwen en het bakeren van zuigelingen. Vroedvrouwen werden in het algemeen door de maatschappij niet erg hoog werden geacht tijdens de 17de en 18de eeuw. Het was werk voor weduwen en mindere volksvrouwen. In Leiden zijn in de 17de eeuw tien vroedvrouwen actief; in de 19de eeuw slechts vijf. Zij stonden in een soms ongunstige concurrentiepositie ten opzichte van de vroedmannen en geneesheren. Ook werd er vaak kwaadgesproken over vroedvrouwen. Tegen het einde van de zeventiende eeuw werd de positie van vroedmannen versterkt ten nadele van vroedvrouwen.
In landelijke gebieden waren vroedvrouwen veelal "autodidact"; zij verkregen de noodzakelijke kennis en ervaring voor het ambacht door de praktijk, wellicht door het vergezellen van andere vroedvrouwen.
Voor de aanstelling van een stads-vroedvrouw in Arnhem werden in 1726 vacatureadvertenties geplaatst in couranten van Amsterdam, Leiden, Delft en Den Haag. Bij de procedure behoorde selectie van de sollicitatiebrieven, een sollicitatiegesprek, het controleren van de getuigschriften en een examinering waarna de eedsaflegging en aanstelling plaats vond. In Arnhem werd een salaris betaald bestaande uit een bedrag op jaarbasis en een bedrag per bevalling. Als vroedvrouwen na een strenge selectieprocedure werden aangenomen in een andere stad dan verhuisden haar man en kinderen vaak mee, en verwierven ook het burgerrecht van de nieuwe stad. Dit wijst toch op een maatschappelijke positie van belang. Vroedvrouwen verdienden evenveel geld als mannelijke ambachtslieden, dat wil zeggen ongeveer 2 gulden per werkdag rond 1660.
Het werk van vroedvrouwen bracht hen bij dag, maar meer nog bij nacht en ontij in de woonhuizen van alle mogelijke bevolkingsgroepen. In veel gevallen zal de bevalling hebben plaatsgevonden in donkere, slecht verlichte en geventileerde woonruimten, soms op vaak onder minder hygiënische omstandigheden. Desondanks lag in Nederland het aantal levendgeborenen per 1000 geboorten relatief hoog. Rond 1850 stierven 25 van elke 100 baby's tijdens of vlak na de geboorte.
Wellicht de oudste bewaarde Nederlandse stedelijke keur (reglement) op dit gebied is die van de stad Delft, uit 1656. In andere steden volgden de keuren pas later, bijvoorbeeld die in Amsterdam in 1668, en die in Utrecht in 1778. Reeds voor het jaar 1656 was in de Delftse praktijk reeds een traditie van exameneisen gerealiseerd.
Hier de volledige tekst van deze keuruit Delft:
| Originele tekst , Delft 1656 | Moderne verkorte versie |
| Dat de voorn. vroedvrouwen oock het gilde van de voors Cirurgijns soude mogen zijn subject ende jaarlijks nevens deselve haer gelt betalen. Soo ist dat de opgemelde Heerenvan de Weth considereerende de importantie van de voors sake en alvorens hier op gehad hebbende het advijs van stadts medicijns omme soveel als doenlijck alle ongelucken door de voorn naerlatigheijt veroorsaeckt werdende voor te comen goed gevonden hebben en geordonneert gelijk zij goed vinden en ordonneren mitsdezen dat so haestig selve een quaade geboorte comt te presenteren ofte dat de nageboorte aengroeijt en niet wel te krijgen is ofte de streng van dien bij ongeval van herden dewegangh ofte anders mochte comen te breken de vroedvrouwen gehouden sulle zijn een ervaren medicijn te doen roepen ten eijnde de selve haer raed geven can hoe sij sig in sulcken geval sullen hebben te dragen
dat mede als de nageboorte niet heel maer aen stucken gaet de meergementioneerde vroedvrouwen haer niet bevordren sullen deselve weg te doen often in 't vuer te werpen voor en al eer sij aen een ervaren medecijn sullen hebben vertoont om te weten of deselve daer oock geheel sij oftte niet waerdoor anders menogmael veele doodelike accidenten en sieckten voortcomen dit alles op een boete van vijftich gulden en arbitrale corectie van schepenen
dat verders deselve vroedvrouwen sig sullen hebben te wagten aen craemvrouwen eenige drancken poeijerkens of iet anders van consequentie in te geven ten warewat olije van zoete amandelen tusschen moeder en kint een lepeltje caneelwater camille bier ofte iet diergelijke van wijnigh importantie maer het selvige als buijten haer professie en boven haer kennisse sijnde de sorge van den medecijn bevolen laten op de boete van tien gulden telcken te verbeuren ende ten eijnde hetgeene vorss is te beter soude connen nagecomen en achter volght werden
hebben de opgemelte Heeren goedgevonden gelijk zij goedvinden mits desen dat de voorn vroedvrouwen als mede andere bijmeesteressen van nu voortaen het chirurgijns gilde sullen sijn subject en jaarlijks nevens deselve mede haer gildegeld betalen sullen daer vorch de dickgemelte vroedvrouwen niet alleen genieten het recht van op de Anatomi kamer van de Chirurgijns haer examen te mogen doen maer sal oock den Doctor Anatomicus gehouden sijn sig als een vrouwelijk subject presenteert voo de selve particulierlijk in 't bijwesen van Stads Doctoren een demonstratie van de lijffmoeder en deszelfs appendentien te doen. Ende op dat het geene voorss. tot beter kennisse van de vroedvrouwen mochte comen sal ieder van deselve vroedtvrouwen dese in copie worden toegesonden omme haer daer naer te reguleren. Gedaen bij de Heeren van de Weth den 11 September 1656. |
De vroedvrouwen worden lid van het Chirurgijnsgilde en betalen het gilde een jaarlijks bedrag. Op advies van de stads-artsen zullen zij zo mogelijk ongelukken voorkomen, die door nalatigheid veroorzaakt worden. Zo gauw een moeilijke geboorte plaatsvindt, of de nageboorte vast blijft zitten of de navelstreng mocht breken, dan dienen de vroedvrouwen een ervaren arts te roepen voor advies Als de nageboorte niet als geheel naar buiten komt mogen de vroedvrouwen het niet in het vuur werpen, maar moeten het eerst tonen aan een ervaren arts; want daaruit komen veel ongelukken en ziekten voor. Dit alles op een boete van f 50,- en een correctie door een rechterijke straf door de schepenen. Dat de vroedvrouwen aan kraamvrouwen geen medicijndranken of -poeders geven behalve amandelolie, kaneelwater of andere zaken van ondergeschikte betekenis. Overige medicijnen moeten worden overgelaten aan artsen, op straffe van f 10,- Vroedvrouwen hebben het recht op onderwijs in de anatomiekamer van het Chirurgijngilde. Indien een vrouwelijk kadaver aanwezig is, dan zal er door de Anatoom onderwijs gegeven worden over de baarmoeder en daarmee verbonden organen. Deze brief zal in kopie aan alle vroedvrouwen worden gezonden zodat zij zich zullen voegen naar deze regels. Gepubliceerd door de Delftse Wethouders op 11 september 1656 |
Termen, verschijnselen, opvattingen en folklore rondom de geboorte
Baker. Vrouw die zorgt voor het bakeren (strak inzwachtelen) van een zuigeling. Daardoor krijgt het kind minder prikkels van buiten en wordt het kind rustig. Te vergelijken met de huidige kraamverzorgster.
Bakerlied. Wiegelied, gezongen door de baker.
Bakermat, Bakerkorf. "Eene langwerpige, lage mand, ook wel een houten bak, die, voor het vuur staande, tot zitplaats diende voor een baker, wanneer deze het op haar schoot liggende kind verzorgde."
Bevalling zie Reis.
Borstvoeding. Borstvoeding werd niet op vaste tijden gegeven maar wanneer de zuigeling er om vroeg.
Deurzichten. Gebruik waarbij buurtgenoten op de kraamvisite komen en dan linnenkast en luiermand opent om naar de uitzet te kijken om daar commentaar op te leveren.
Moeilijke geboorte. De overtuiging heerste dat een moeilijke geboorte veroorzaakt werd doordat een zwangere vouw zich niet voldoende in acht had genomen tijdens de zwangerschap.
Kraamkloppertje. Aan de voordeur als geboorte aankondiging.
Kandeel / Karndeel. Warme wijn, gekruid met kaneel en kruidnagelen. Er werd na de geboorte ook wel jenever of brandewijn met suiker geschonken.
Kortbed. In de kamer kon een losstaand laag bed worden gemaakt door een aantal stoelen naast elkaar met de rug op de grond te plaatsen en daarop een matras te leggen. Dit werd een kortbed genoemd.
Kraamschudden. Noord-Nederlandse term voor het tonen van de zuigeling aan vrouwelijke buurtgenoten, enkele dagen na de geboorte. In Brabant heette het "met den krommen arm gaan" en in Limburg "met den eierschaal gaan", uitdrukkingen die slaan op het meebrengen van geschenken voor de kraamvrouw.
Papvoeding. De overgang van borstvoeding naar papvoeding, op de leeftijd van 9 a 12 maanden, werd riskant geacht.
Pillegift. Een uitgestelde gift, door peetvader of peetmoeder beloofd bij de doop, en pas geschonken als (na een flink aantal maanden of een jaar) bleek dat het kind nog in leven was. Bijvoorbeeld een gouden ketting of hangertje, of familieportretten.
Reis. Term voor "craem" of bevalling. De weeën worden ook wel als "kraken" aangeduid.
Schootster. Soms zat de barende vrouw op de schoot van een vrouw, de schootster.
Schrader ('Vrouw Schrader'). Vroedvrouw; schreef het 'Memoryboeck van Catherina Geertruida Schrader' (1656-1745). Schrader leidde in totaal 3.060 bevallingen die zij noteerde op de 544 folio's van haar Memoryboeck. De jongste ongehuwde moeder op deze lijst was 16 jaar, de oudste ongehuwde vrouw was 40 jaar.
Sugers zie Vlygers.
Verzien. Overtuiging dat aan het ongeboren kind een afwijking kan worden gegeven door een sterke emotie van de zwangere moeder, meestal door een waarneming.
Vlygers, sugers. Vrucht die zich in de baarmoeder als mola of klompvlees ontwikkelt.
Vuurmand. Mand in de kraamkamer waarin zich een test vuur bevindt en waarboven het linnen, de kleding, en de luiers gedroogd worden en waarvóór het kind wordt gebakerd."
Wieg. Mand- of bakvormig bedje, ledikantje voor zuigelingen, met gebogen onderstel of (aanvankelijk) in hangconstructie waardoor het in een schommelende beweging kan worden gebracht (soms voorzien van kap en gordijntjes)." Document uit 1658: heden maakt men ze van mandenwerk in de gedaante van eene langwerpige bun, welke aan het hoofdeinde eene holrond verhemelte heeft." "Deze bun of wieg staat op twee afgeronde schenkels, die als de wieg bewogen wordt eene wippende beweeging verkrijgen, welke men door het heen en weer trekken van eene koord of een touw gaande houdt."
Woudreis, zie Reis. In Leeuwarden werd de term "woudreis" gebruikt.